Ben C. O. Grimm

Vrije Vogels


Author:		Ben C. O. Grimm
Title: 		Vrije Vogels
Published: 	11 June 1995
Newsgroups:	nlnet.misc

Vrije Vogels

Er was eens een mooie tuin met een artistiek vormgegeven voliere. Het gekwetter van de gevederde vrienden kwam de toevallige passant reeds van verre tegemoet. Soms was het getjilp en gekwinkeleer zo spectaculair dat horen en zien je verging. Maar soms was het ook buitengewoon stil binnen het fijne draadwerk dat de voliere omspande. Lang duurde dit echter nooit, want er was er altijd wel een die het voortouw nam en een nieuw wijsje inzette. Het hoefde helemaal geen mooi lied te zijn. Alleen al het weerklinken van die ene ferme voorzanger zette de andere diertjes aan tot het invallen in tweede, derde en soms zelfs vierde stem. Er waren ook wat eigenwijze vogeltjes, die met vreemde syncopen en tempowisselingen probeerden het lied naar hun eigen voorkeur te modelleren. Altijd eindigde de, eerst nog als melodisch te kenschetsen, samenzang in een kakelbont pandemonium.

Op een dag kwamen er andere vogels, gelokt door de varieteit van zangstijlen, in de bomen van de tuin zitten. Zij keken verbaasd neer op die microcosmos van wild gefladder, luid gezang en soms ook verbitterd gekijf en gepik. Al gauw kregen deze nieuwe inwoners van de tuin zin om met die, in de voliere op elkaar gepakte, bende herrieschoppers mee te zingen. Om niet in het gekrakeel tenonder te gaan besloten deze vogels eens een ander lied in te zetten, in de hoop dat hun nieuwe geluiden opvallend genoeg zouden zijn om de aandacht van de voliere te krijgen. Zij moesten hun pogingen alras staken. Hun nieuwerwetse zangpogingen werden door de inwoners van de voliere duidelijk niet op prijs gesteld. Zodra een nieuwe zangnoot dreigde door te dringen tot in de kooi zette het gezelschap het eendrachtig op een chaotisch gekwetter om de vreemde tonen van buitenaf in het eigen lawaai te verdrinken.

Vele van de vogels in de boom hielden het al gauw voor gezien. Zij hadden in hun leven al veel meer volieres gezien, boven verschillende landschappen op de wind gebalanceerd en in allerlei bossen zaadjes en wormen gegeten. Maar er was een vogel die niet van opgeven wilde weten. Hij fladderde vanuit de boom neer op het dak van de voliere om die samengepakte bende vogeltjes eens wat beter te bekijken. Misschien werden zijn gezangen van zo'n korte afstand ook wel beter gehoord en waren er in de voliere een paar vogels die bereid waren een paar noten van zijn nieuwe lied op te nemen in hun eigen repertoire. Eerst maar eens even stilletjes observeren. Hij merkte al spoedig dat hij bijzonder scherp in de gaten werd gehouden door een vuil kijkende vogel, helemaal onder in de voliere. Zijn gekras was eerst moeilijk te verstaan, maar het bleek een sappig dialect van de universele vogeltaal. De vogel op de kooi draaide eens wat met zijn kopje om de verre neef, daar helemaal onderin, goed te kunnen verstaan. Hij ving met moeite het volgende op: "Geen vreemde vogels in de tuin! Geen vreemde vogels in de tuin!". De luistervink keek verbaasd weer op. Wat was dat nou voor een raar gezang? Hij was toch ook maar een vogel, net als al die anderen daar in de kooi? Goed, zijn verendek was wat donkerder en zijn zangkunsten vertoonde hij in een andere toonaard en in een ander vogeldialect, maar je bent een vogel of je bent het niet, nietwaar? Gelukkig was hij niet de enige die het vijandige gekwetter opmerkte. Al gauw begonnen de andere vogels te schelden tegen die ene oproerkraaier onderin: "Alle vogels zijn gelijk! Geen discriminatie tegen andere vogels! Elke vogel mag in onze tuin komen, want er is eten genoeg voor allemaal!". Het hartje van de luistervink op de kooi sloeg op hol, zo fijn vond hij het dat de andere vogels het voor hem opnamen. Toen hij echter voorzichtig vroeg of hij bij hun in de voliere mocht komen wonen om mee te zingen sloeg de stemming radicaal om. "Niets daarvan!!", klonk het eendrachtig. "Dit is *onze* voliere! Scheer je weg!".

Verschrikt fladderde de luistervink weer op, om enkele meters verderop in een struik van de plotselinge aanval te bekomen. Wat een rare vogels! Eerst verdedigden ze hem tegen die ene gemene raddraaier en vervolgens wilden ze hem weren van hun kooi. Hij probeerde nog vanuit de struik tot een discussie te komen, maar hij werd genegeerd. Welk lied hij ook inzette, het mocht niet baten. Zelfs het inzetten van een in de kooi populair wijsje werd met een doodse stilte beantwoord.

Toch bleef de luistervink gefascineerd. Er moest toch een manier zijn om zijn gevangen vrienden duidelijk te maken dat er nog zo veel meer te zien was, dat er nog zo veel meer liederen bestonden? Maar hoe hij ook tjilpte en floot, hij werd met de gevederde nek aangekeken. Maanden gingen zo voorbij. In de kooi veranderde niet veel. Steeds weer dezelfde wijsjes, steeds weer dezelfde discussies. De agressieve types bleven pikken en kwetteren, de volgzamen volgden het lied van de meerderheid en poogden niet in dissonanten te vervallen.

De luistervink wist echter dat dit verkeerd zou aflopen. De eitjes die in de kooi werden gelegd werden steeds breekbaarder en grauwer. De eenzijdigheid van voedsel, partnerkeuze en zangrepertoire leverde al gauw funeste en triestmakende resultaten op. De jonge vogeltjes in de kooi, die op het laatst allemaal familie van elkaar waren, bleken niet in staat vernieuwingen aan te brengen. Blind voor hun eigen ondergang piepten zij zoals de ouden zongen. Soms donderde er bij een vogeltje een vleugeltje af, of bleek de vliegvaardigheid zo aangetast door het incestueuze gespeel dat de jongelingen kansloos naar de bodem van de voliere vielen, alwaar zij werden vertrapt en ondergepoept door de anderen, die nog net de kracht bezaten zich aan hun stokje vast te klampen.

Op een dag zakte zelfs de donkere lijster door haar frele pootjes, maar zij bleef dapper, alsof er niets aan de hand was, roepen waarom de anderen niet nog eens dat populaire wijsje wilden inzetten. "Wat zijn jullie stil! Waar is iedereen? Zingen!", piepte zij dapper, leunend tegen het waterbakje. De luistervink keek nog eens goed naar dat waterbakje. Verhip, daar zat nog een vogeltje achter! Die had hij in al die maanden niet gezien. Hij zag dat dit uitgeteerde vogeltje heel af en toe ook probeerde te zingen. Ach, hij herkende het geluid. Hij had zich al verscheidene malen afgevraagd welk vogeltje nu steeds die rare eenregelige liedjes zong. Iedere keer als een van de vogeltjes in de kooi een vertrouwd lied inzette piepte zij mismoedig haar ene regeltje, maar dan hield zij subiet weer op, om meteen daarna weer een regel van een ander liedje te reciteren.

Op het laatst was het de luistervink zwaar te moede. De teloorgang van die eens prachtige voliere ging hem aan het hart, hoezeer de inwoners hem ook hadden laten merken dat hij niet welkom was. Hij zag de arme diertjes een voor een sterven. Anderen werden gek en tjilpten dezelfde noten steeds maar weer. Het vogeltje achter het waterbakje verloor snel haar krachten. Veel meer dan halve, valse zangregeltjes kon zij niet meer voortbrengen. Ook de zwarte lijster draaide dol. "Zingen! Zingen!" was alles wat zij nog kon piepen, maar zelf een lied inzetten was er niet meer bij. Mismoedig haalde de luistervink zijn ranke schoudertjes op. Hij kon het niet meer aanzien. Met een soepele beweging verhief hij zich in de frisse lucht en met enkele rake slagen vloog hij de tuin uit, de vrije wereld tegemoet. Zijn fiere tonen schalden door de buurt. Vanachter een venster staarde een eenzame parkiet hem naargeestig na.

© Ben C. O. Grimm


Home.