Ben C. O. Grimm

Uur


Author:		Ben C. O. Grimm
Title: 		Uur
Published: 	14 October 1996
Newsgroups:	soc.culture.netherlands, nl.misc

Uur

Het getik van de keukenklok begon hem plotseling te storen. "Tijd!", riep hij verbitterd tegen de klok. "Ik wil niets meer van je weten." Hij nam zich voor het uurwerk van de wand te halen, maar een loden moeheid drukte hem neer. Vaak zat hij hier, in het halfduister, peinzend over zaken die hij niet onder woorden zou kunnen brengen. Een vage onrust. Hij was bang dat hij, wanneer hij werkelijk zou doordenken over datgene wat hem een onaangenaam gevoel bezorgde, de gevoelens een naam en een oorzaak zou geven. Hij wist nu al dat hem de energie ontbrak om er vervolgens wat aan te doen. Dus liet hij het maar zo. In het halfduister.

De krant, waar hij vaak tegen het naderen van het middernachtelijk uur een blik in wierp, kon hem niet meer boeien. De kartonnen doos onder het gasstel, waar hij trouw zijn oud papier in verzamelde, was tot de rand gevuld met netjes gevouwen, want ongelezen dagbladen. Nieuwsberichten uit een wereld die zich aan hem niets gelegen liet liggen. Een wereld die zonder hem niet anders zou zijn, niet stil zou staan bij de zaken die hem overkwamen. Dus liet hij het maar zo. In de doos.

Het enkele lampje, dat zijn hoek van de keuken nauwelijks verlichtte, diende geen enkel doel. "Waarom doe ik het niet uit?", vroeg hij zich af. "Waarom zou ik mijn ogen openhouden en onwillekeurig het patroon van het tafelkleed bestuderen, een stervende plant bekijken?" Hij nam zijn hoofd in de handen en sloot zijn ogen. Gedachtenloos bevond hij zich in het vaaggekleurde gewelf achter zijn oogleden. Geen beeld drong zich aan hem op. Toch voelde hij het groeien. Hoe hij ook zijn best deed niets toe te laten dat hem in deze staat van verdoofd nietsdoen kon storen, hij voelde het geknaag in zijn maag.

Hij nam zijn ellebogen van tafel en drukte ze, met het hoofd nog steeds in zijn handen, hard tegen zijn maagwand. "Hou op!", kreunde hij, de tanden op elkaar geklemd. Het tij was niet meer te keren. Hij had het gevoel in zijn leegte toegelaten, waar het nu een steeds prominentere plaats innam. Snel griste hij de krant van tafel. Hij draaide de voorpagina naar het licht en begon ingespannen te lezen. Om zijn gedachten te overstemmen streek hij af en toe de krant recht of sloeg hij eens op de vouw. Getergd stelde hij vast dat hij de keukenklok nu beter hoorde dan eerst.

Hij sprong op en sleepte zijn stoel mee naar de hoek van de keuken. Hij viste de klok van de wand, draaide hem om, en trok de batterij uit de houder. Even twijfelde hij of hij de levenloze klok weer zou terughangen, maar hij wist dat hij zich daar nog meer aan zou gaan storen. Hij legde de klok, met de wijzerplaat naar beneden, op het oud papier. De batterij stak hij in zijn broekzak. De stoel liet hij staan, alsof de handeling nog een vervolg zou krijgen. Hij lachte schamper bij het idee. "Niets in mijn leven krijgt een vervolg. Niets in mijn leven heeft enige consequentie". Hij rechtte zijn rug en keek even recht voor zich uit. Hij sprak zijn gedachte zacht voor zich uit. Het gevoel iets wezenlijks te hebben beweerd vervloog snel.

Enige tijd stond hij daar, met zijn rug naar het licht en zijn handen in zijn zakken. In zijn zweterige linkerhand voelde hij de batterij. Hij wreef met zijn duim over de pluspool en beeldde zich in de stroom te kunnen voelen. Het beangstigde hem, dat autonome object met gevangen energie, een Fremdkörper.

Hij zette de batterij op de keukentafel en probeerde het geknaag te negeren door snel de donkere woonkamer in te lopen. Op de tast vond hij het koude skai van de bank. Toen hij op de rugleuning van de bank ging zitten hoorde hij een zachte plof aan zijn zijde. De poes, die zich van de activiteiten in de keuken niets had aangetrokken, leunde even tegen zijn arm en begon zich vervolgens te likken. Hij onderdrukte de neiging het dier weg te duwen, maar aaide het niet.

"Voor jou is het allemaal gemakkelijk," fluisterde hij. "Jij hebt geen weet van wat er gebeurt". De poes hield op met likken en zat roerloos naast hem op de leuning. "Of toch .." wilde hij vervolgen, maar de poes sprong van de bank, strekte even de achterpoten en wandelde de keuken in. Even later hoorde hij het gegraaf in de kattebak. "Voor jou is het gemakkelijk", stelde hij nogmaals vast.

Van buiten drongen de slagen van een kerkklok tot hem door. Gewoontegetrouw telde hij mee. "Twaalf uur," mompelde hij, "en weer een dag voorbij. Weer een dag die er niets toe deed. En nu krijg ik er weer een voor de kiezen." Toch kon hij het niet velen dat hij niet wist welke dag er zojuist was aangebroken. Hij liep terug naar de keuken en pakte de krant. "Zaterdag ... gisteren bezorgd .. dus is het nu .. zondag .. maandag". Het droeg alleen maar bij aan zijn verbittering. Maandag. De dag dat de wereld weer op gang kwam, dat mensen zich haastten van de ene plaats naar de andere om de dingen te doen die van hen verlangd werden. De dag dat zijn woning alleen maar meer weghad van een vastgelopen vlot in een traagstromende rivier.

"Mijnheer Perelman," had de jonge bebrilde arts hem twee weken eerder aangesproken, "u zult er nog geruime tijd geen last van hebben. Maakt u zich geen zorgen. U kunt nog jaren mee." Dat laatste zinnetje zat hem nog het meest dwars. Nooit eerder had hij zo sterk het gevoel gehad dat hij kon ..., nee, moest gaan aftellen. De twaalf jaren die verstreken waren sinds het overlijden van Miriam had hij niet beleefd, ze waren aan hem voorbijgetrokken. Hij had de poes, die hij van zijn jongste zoon had gekregen toen hij alleen achterbleef, groot zien worden, en daarna steeds ouder. Ze was hem niet tot last, maar ze strekte hem ook niet tot vreugde. Hij had haar niet eens een naam gegeven. Ooit zou ook zij hem alleen laten. "Nee," besefte hij, "dat staat deze keer niet vast". Het troostte hem niet.

Zuchtend pakte hij de stoel uit de hoek van de keuken. Hij doofde het licht en zette zich weer aan de tafel. Iedere keer dat Miriam in zijn gedachten opdoemde kon hij niet anders dan terugdenken aan de laatste jaren van hun samenzijn. Hoewel, samenzijn ... eigenlijk was hij al veel langer alleen. Het waren in ieder geval nog jaren dat hij een doel zag in zijn leven. Hij moest denken en doen voor hen beiden. Miriam lag, de laatste drie jaren voor haar dood, op haar bed voor het raam. Haar ogen waren flets geworden, en haar bewegingen zonder doel. Soms volgde haar blik even een langsfladderende duif of een vallend blad, maar een gedachte wijdde ze er niet meer aan. Geduldig had hij haar op gezette tijden te eten en te drinken gegeven, haar gewassen en naar bed gebracht. Waren de dagen voorspelbaar geworden, en stil, de nachten waren hem een gruwel. Hij kon niet wennen aan die kreet die hem telkens weer door de ziel sneed. "Perelman! Perelman! We moeten naar de zolder!". Iedere keer moest hij zichzelf, net aan de slaap ontrukt, ervan overtuigen dat het gevaar zich alleen nog afspeelde in Miriams hoofd. Die seconden van onzekerheid, van aanpassing aan de realiteit, holden hem uit.

Hun zoons kwamen in die jaren alleen nog op verjaardagen en bleven nooit meer logeren. Ze hadden het een keer geprobeerd, maar waren te zeer geschrokken van het contrast tussen dag en nacht. Voor hen bestond die doodsangst alleen in de verhalen van vroeger, die zij ongemakkelijk en ongeduldig aanhoorden, en in de schoolboeken, die zij alleen wensten te zien als examenstof. Perelman had hen niets verteld over de jonge arts en over de klok die voor hem tikte en waarvan de batterij zich niet liet verwijderen. Niet dat hij aan hun schaarse bezoeken veel genoegen ontleende. Daarvoor waren het te veel georganiseerde visites met vaste rituelen, die steevast werden afgebroken met een veelzeggende blik op de klok. "Morgen vroeg weer op, papa". "Jaja," antwoordde hij dan, "de wereld draait om jullie". Ze kusten hem ook niet meer.

De poes wreef zich langs zijn been. Perelman opende zijn ogen. Hij hoorde een zacht getik tegen het keukenraam. Hij stond op en schoof het gordijn een stukje opzij. Het licht van de straatlantaarn werd weerspiegeld in langgerekte regendruppels. "Herfst," ontdekte hij, "alles is herfst tegenwoordig". Op de tast zocht hij naar het pak droogvoer voor de poes. Hij trok de deur van de koelkast open om genoeg licht op de vloer te krijgen. Nadat hij het etensbakje had gevuld en het drinkwater had ververst bleef hij nog even staan. Enkele doordringende piepjes herinnerden hem eraan de deur van de koelkast weer te sluiten. "Handig, zo'n apparaat dat voor je denkt", dacht hij verbitterd. Het was een cadeau van zijn oudste zoon. Een Duitse koelkast.

Hij vond het jammer dat hij het licht in de badkamer moest ontsteken. Hij kon echter niet op de tast de verschillende soorten medicijnen die hij 's ochtends, 's middags en 's avonds diende te slikken onderscheiden. En weer ergerde het hem dat op de etiketten van de flesjes "dhr Parelman" was gedrukt. Iedere keer weer besloot hij bij zijn volgende bezoek aan de apotheek de fout recht te laten trekken, maar steeds waren het felle neonlicht en de koele houding van het personeel te hoge drempels voor zijn verzoek. Hij nam de drie capsules met een slok water in en doofde het licht. "Gelukkig weet ik nog waar mijn gebit zit," schamperde hij.

Perelman rilde even toen hij tussen de koude lakens schoof. Hij ging op zijn rug liggen en vouwde zijn handen over zijn borst. Al snel voegde de poes zich bij hem. Hij aaide het dier even over de kop. "Miriam," sprak hij zacht. De kerkklok sloeg 1 uur.

© Ben C. O. Grimm


Home.