Ben C. O. Grimm

Wat mij ooit gebeurde


Author:		Ben C. O. Grimm
Title: 		Wat mij ooit geburde
Published: 	5 June 1996
Newsgroups: 	nl.misc

Wat mij ooit gebeurde

[reactie op een verhaal over ontmoeting in de A'damse trem]

De ontmoeting in de tram was bij mij een ontmoeting in de trein. In de beginjaren van mijn studie reisde ik dagelijks van Rotterdam naar Leiden en naar Amsterdam. Ik probeerde altijd de intercity van 8.00 te halen, want dan kon ik voor de respectievelijke colleges nog even koffie halen.

Op deze bewuste dag was ik echter net te laat, hetgeen mij noodzaakte de eerstvolgende sneltrein te nemen. Hierdoor zou ik vijf minuten na aanvang van het college arriveren, maar daarmee was ik, eerlijk gezegd, nogal aan de vroege kant (gezien de massale instroom van bekertjes koffie-dragende en Volkskrant-ontvouwende laatkomers).

Na de gebruikelijke stops in Schiedam en Delft reed de trein binnen op station Den Haag Holland Spoor. Als fervent walkmanner ging de buitenwereld op die vroege morgens goeddeels aan mij voorbij, doch nu viel mijn oog direct op een walkwomanner. Zij naderde, speurend naar een plekje naast een in slaap gevallen medereiziger. Ik ging rechtop zitten. We maakten bliksemsnel oogcontact. Hoewel ze nog zo'n 20 meter van me verwijderd was verlieten onze blikken elkaar niet meer.

Er was plaats tegenover mij, aan de raamzijde. Natuurlijk. Zo gaat dat. Toen we eenmaal allebei zaten durfden we eigenlijk niet meer zo goed naar elkaar te kijken. Te dichtbij, te acuut. Het reflecterende venster bood enig soelaas (het was in de duistere tijden van het jaar). Af en toe flitste de blik van het raam naar haar en na een korte, bevestigende blik, vergezeld van een flauwe, onderdrukte glimlach, staarden we weer door het raam, maar eigenlijk meer in het raam.

Zoals zo vaak gebeurde er iets synchroons. Mijn up-tempo Sonic Youth-Sebadoh-St. Johnny-tape verloor snelheid. De batterijtjes gaven nog een laatste voorstelling. Het werd stil in mijn hoofd. Ingepakt in winterjas, colbertje, trui en borstzakje zat een set verse batterijtjes. Aangezien ik altijd wat klungelig ben in dit soort zaken veroorzaakte de eerste de beste manoeuvre richting Duracells al een val van mijn walkman op de grond. Alsof dit nog niet genant genoeg was viel bij het bukken de koptelefoon van mijn hoofd.

Met een rood hoofd van het gebuk en geschaam keek ik weer naar haar. Ze lachte me breeduit toe, medelevend, begrijpend. Er was nog een reden: haar batterijtjes hadden het ook opgegeven en ze zat net zo stuntelend te graaien naar een verse vooraad als ik. Enige minuten later zaten we weer in dezelfde houding. Kijkend, niet kijkend, luisterend, maar vooral niet luisterend.

Al die tijd was het niet eens in mijn hoofd opgekomen dit mooie mysterieuze meisje aan te spreken. Ik hield van haar, maar ik keek naar haar als de hoofdpersoon uit "De Voyeur" van Moravia, bewonderend, als ware zij een soort Madonna. Zij zat dan misschien, in gedachten, naakt op mijn schoot, maar zij bleef een nymf, een engel, een bewonderenswaardig staaltje natuurlijke expressie.

In Leiden moest ik de trein verlaten. Ik moest naar een tentamen, niet naar een college. Blijven zitten was er deze keer niet bij. We wisselden een onhoorbaar "dag" uit. Bij het verlaten van de coupe keken we beiden meerdere malen om. Op het perron bleef ik even staan tot de trein weer optrok. Ze zwaaide, ze lachte. Ik stond daar, muisstil. Nu besefte ik het pas. Ze was weg. Echt weg!

Het tentamen maakte ik in een roes. En, achteraf gezien, verbazend goed. Zij bleef in mijn hoofd zitten. Hoewel ik haar amper had bekeken was elk detail van haar kleding en gezicht in mijn herinnering gebrand. Het scheurtje in haar wollen legging, het korte rokje van ruwe stof, het merk van haar walkman, alles. Twee weken achtereen nam ik iedere morgen dezelfde, late sneltrein. Iedere keer stond ik bij het binnenlopen van Den Haag HS in de deuropening en keek ik het hele perron af. Af en toe nam ik toch de Intercity, en stapte ik in HS uit, om daar een kwartier op het perron te kunnen staan. Ik zag haar nimmer weer.

Gelukkig maakt een verliefde kater in het nauw verstandige sprongen. Een advertentie, dus. Zij leek me wel het Volkskrant-type en gezien haar Haagse instap leek de Haagsche Courant me ook een verstandige keuze. Hoewel ik me de advertentie niet meer letterlijk kan herinneren moet hij ongeveer zo hebben geluid: "Donderdag 17 februari, sneltrein HS-A'dam CS, 08:17u. Mijn batterijtjes waren eerder leeg dan de jouwe en ik moest er ook eerder weer uit (Leiden). Schrijf je me, glimlach?". Gevolgd door een postbusnummer in Rotterdam. Mijn leven bestond vervolgens uit het nemen van onlogische sneltreinen (als ze maar in HS stopten) en het heen en weer drentelen naar mijn postbus op de Coolsingel in Rotterdam. Niets. Wel post van anderen die mij, quasi-gemeend, succes toewensten, maar geen woord van haar. Twee weken later verhuisde ik naar Leiden. Ik gaf haar op.

Ruim een half jaar later ging ik weer eens kijken in mijn postbus in Rotterdam. Hij zat vol met reclamedrukwerk, verkeerd geadresseerde rommel. En een ansicht. Uit Den Haag. Van Dora. Het was een schok, want ik had haar eigenlijk uit mijn gedachten verbannen. Ze schreef me dat ze mijn advertentie had gezien, en dat ze eigenlijk niet goed wist hoe het nu verder moest. Ze had het kaartje 1 dag na mijn verhuizing op de bus gedaan ... Hoewel het een half jaar later was probeerde ik het toch maar. Ze had geen adres gegeven. Als ik haar wilde bereiken kon ik een poste-restante adres gebruiken van een postkantoor in Den Haag (Koninginneplein, meen ik). Dezelfde dag nog stuurde ik een kaartje naar Den Haag, voorzien van een uitleg over mijn langdurige afwezigheid. Of ze me toch alsjeblieft wilde schrijven.

Drie maanden later kwam het kaartje terug uit Den Haag. Op de retoursticker stond aangekruist: "Poststuk niet opgehaald" en "Retour afzender".

© Ben C. O. Grimm


Home.