Ben C. O. Grimm

McFiction


Author:		Ben C. O. Grimm
Title: 		McFiction

McFiction

Toelichting: Een goede vriend van mij, hier opgevoerd met pseudoniem, had, na aankoop van een nieuwe computer (een Mac) al geruime tijd niets meer van zich laten horen. Ik vermoedde een dermate grote obsessie dat ik het volgende onderzoek instelde.

Een diepe, onheilspellende stilte werd zijn deel. Terwijl hij verwoede pogingen deed zijn smeulende peukje, dat in een onbereikbare uithoek van de asbak reincarneerde, alsnog te doven, dwaalden zijn gedachten af naar een jongeman die hij ooit had gekend in het verre Rotterdam.

Wat was zijn naam ook weer? Ach ja, Arthur. Arthur van Saeftinge, ja. De laatste maal dat hij wat van deze Arthur had gehoord straalde deze een koortsachtige bezetenheid uit en toonde hij een maniakale glimlach die deed denken aan de poveren van geest die zojuist tot een nieuwe religie waren bekeerd en nu de hele wereld kond wilden doen van het licht dat hen doorgloeide.

Arthur had, in een onbewaakt ogenblik, kennis gemaakt met een zonderlinge, kleurige Schot, die door het leven ging onder de niet alledaagse naam McApple. Op het eerste gezicht was het niet meer dan een licht excentrieke eilandbewoner, doch onder diens uiterlijk, gesierd door twee merkwaardige horizontale draadjes, ging een sluimerend gevaar schuil. Zou Arthur dan toch gevallen zijn voor zijn mooie praatjes en langzaamaan zijn verworden tot een toetsendrukkend en muisverschuivend drilpuddinkje?

Het peukje had eindelijk de strijd gestaakt. Wat nu te doen? Onrustig bij de gedachte aan de gebeurtenissen in Rotterdam besloot hij nog eens te kijken naar de enige levenslijn die hij had met de moederstad. Hij schakelde het verbindingskastje aan en telefoneerde naar een duistere Amsterdamse organisatie, die via clandestiene wegen contacten onderhield met enige ondergrondse netwerken, die hun tentakels uitsrekten tot de Maasstad. Na het passeren van enkele enigmatische teksten op zijn scherm, dat zijn gezicht in de nachtelijke uren amber kleurde, tikte hij, met koude, nerveuze vingers het verlossende commando in: na enig geflikker en een nog grotere stroom geheimtaal werd hem duidelijk dat zijn verre vriend op een wel heel ongewoon tijdstip bewoner was van die serie netwerken.

War was hier aan de hand? Half negen 's ochtends, half drie 's middags? Er was waarlijk geen peil op te trekken. Mismoedig doofde hij het scherm en terwijl de ventilator nog zachtjes naruiste besloot hij direct af te reizen. Op straat passeerde hem juist een paard en wagen, die hem met gezwinde spoed afleverden bij de trekschuit.

Deze vervoerde hem via dreven en kanalen naar Rotterdam, alwaar hij met een loden gevoel in de maag de tocht naar het oude dorp Kralingen aanvatte. Zou het wel een juist tijdstip zijn om hem zo te verrassen? Maar, wat was dan een goed tijdstip als Arthur op zulke onvoorstelbare momenten de reis in het labyrinth van netwerken dat de wereld omspande maakte. Hij moest het er maar op wagen, in de hoop dat zijn plotselinge verschijnen geen onverwachte gevolgen zou hebben.

Voorzichtig tastte hij in het halfduister van de straat naar de deurbel, na zich eerst vergewist te hebben van de namen die in de deurpost waren verankerd. Hij woonde er toch nog wel? Bij het licht van een tondeldoos kwam er onder het verweerde afdekplaatje een naam tevoorschijn, de naam die hij zocht. Schuchter zette hij zijn vinger op de bezoedelde knop, doch drukte er uiteindelijk toch nog resoluut op. Waarom zou hij in weifel vervallen nu hij de nevelen der nacht had getrotseerd om zich te vergewissen van Arthurs lot?

Zijn fierheid verdween echter weer snel, toen op zijn herhaald aan- bellen geen reactie volgde. Werden zijn bange vermoedens dan toch bewaarheid? Even verviel hij in somber gepeins. Hij had zich ongemerkt alweer naar de hoek van de straat begeven, toen hij zich bedacht dat een reis als deze toch niet mocht stranden op de onvolgroeide staat van het nieuwe electronische tijdperk. Hij besloot zijn toevlucht te nemen tot een oud, maar beproefd middel. Het geklepper van het luikje van de brievenbus doorsneed de koude nacht en zette enige woningen verder een waakhond aan tot een klagend gejank. Hij zette zijn oor aan de opening en verstoutte zich zelfs tot het enige malen roepen van de naam Arthur, hoewel het metaal van de klep een onaangename kilte aan zijn lippen mededeelde. Er volgde geen teken van leven, slechts een dorre echo weerklonk vanuit het kleine halletje achter de deur. Wat nu?

Al zijn moed bij elkaar rapend besloot hij tot een laatste, boude poging. Na het wederom ter hand nemen van zijn tondeldoos ontwaarde hij de naam van een vrouw op een ander naambord. Hij belde bij haar aan, onderwijl proberend te bedenken wat hij haar moest zeggen, deze volstrekt onbekende bewoonster van dit donkere fort. Tot zijn verbazing werd de deur al gauw geopend, ogenschijnlijk zonder enige argwaan. "Wie daar?" klonk het ferm van twee trappen hoger. Enigszins van zijn stuk gebracht door deze zakelijke vraag, die geheel indruiste tegen zijn wankel gemoed, wist hij niet meer uit te brengen dan een schuchter: "Eh, ik moet eigenlijk bij Arthur zijn. Hij beantwoordt echter mijn aanhoudend bellen niet ... Ach, zou ik even boven op zijn deur mogen kloppen, om mij ervan te vergewissen dat ik niet om niet ben gekomen?". "Natuurlijk," was het kordate antwoord.

Ach, bezat hij maar de helft van haar moed en karakter, dan had hij zich in deze situatie veel standvastiger betoond! Gelukkig sloot zij reeds haar deur terwijl hij nog voorzichtig de uitgesleten treden trotseerde; zij behoefde nu tenminste niet zijn bleke, van twijfel doortrokken gelaat te aanschouwen.

Daar stond hij nu, voor de, door de tand des tijds duidelijk aangetaste deur van zijn jeugdvriend. Hij verwenste zichzelf enige malen voor zijn weerom oplaaiende twijfel, en nam zich voor duidelijk en helder aan te kloppen, zodat Arthur, die zich ongetwijfeld in leven en welzijn in zijn vertrekken bevond, niets zou merken van zijn beweegredenen. Hij zette zelfs een zelfverzekerde tronie op en repeteerde eerst enige onschuldige zinnen om zich te kunnen redden bij een onvermoed oogcontact.

Tot zijn verbazing scharnierde de deur door een plotselinge windvlaag open. Nieuwsgierig zette hij zijn oog aan de kier. Er brandde in ieder geval licht aan gene zijde. Er was echter geen beweging te bespeuren, en ook geen vertrouwenwekkend geratel van snel toetsende vingers. Hij duwde de deur nog wat verder open en zette een halve pas naar binnen. Vanuit de keuken kwam hem de vertrouwde geur van croquetten tegemoet, doch hij kon er in het donker niemand ontwaren. Door het glas van de deur naar de woonkamer viel een schemerlicht dat hem eerst weinig hulp verschafte bij het opnemen van de situatie. Hij was echter al te ver doorgedrongen in Arthurs domein om nu plots luidkeels zijn naam te roepen. Het zou ongetwijfeld een vreemde indruk maken als hij, onaangekondigd en onverwacht, met een van spanning benepen stem roepend door de woning zou gaan. Terwijl zijn ogen langzaam wenden aan het halfduister kon hij steeds beter de contouren van de woonkamer onderscheiden. Zijn blik dwaalde naar rechts, naar het raam.

Wat hij daar zag vervulde hem eerst met verbijstering, die al snel overging in walging en ongeloof. Voorovergebogen over het schrijfkabinet ontwaarde hij McApple, de kilt omhooggeslagen. Daarachter, in bijna eenzelfde houding ... Was dat ...? Hij kneep zijn ogen samen om de magere gestalte, met schokkend onderlijf en de broek op de enkels, beter te kunnen waarnemen.

Met een verwoed bonzend hart en onvaste tred spoedde hij zich langs de trappen naar de straat, terwijl hij wist dat dit schouwspel zich nooit meer van zijn netvlies zou verwijderen. Door de deur, die hij in zijn haast geopend had achtergelaten, galmde hem een weerzinwekkend gekrijs achterna, dat hem de rest van zijn miserabele leven zou blijven achtervolgen: "Insert your floppy NOW! Abort!! Retry!! Fail!!!".

© Ben C. O. Grimm


Home.