
Catharsis
Author: Ben C. O. Grimm Title: Catharsis Published: 27 December 1996 Newsgroups: nl.eeuwig.september, nl.misc, soc.culture.netherlands
|
Catharsis
Ik heb al in weken niet gemoord. Die laatste keer heeft de keten gebroken. Toen ik haar levenloze lichaam over het grasveld sleepte besefte ik al dat ik er onprettige herinneringen aan zou overhouden. Een onbestemd gevoel. Al voordat ik op zoek ging naar mijn nauwsluitende leren handschoenen broeide er iets. Toen ik haar voor het eerst zag slaagde ze er op het nippertje in de tram te halen waarin ik drie haltes eerder was ingestapt. De korte triomfantelijke blik op haar gezicht toen ze, zichtbaar buiten adem, buiten mijn raam op het knopje drukte en de deuren zich openden heeft haar veroordeeld. Ik volgde haar gestalte toen ze naar een vrije zitplaats voor in de tram liep. Het duurde enige tijd voordat ik bemerkte dat ik naar haar staarde en dat mijn handen zich tot vuisten hadden verkrampt. Toen ik mijn blik van haar afwendde en mijn vingers strekte keek ik naar buiten. Er stapte weer iemand in, en diens gezicht was het hare. Ik had het nog nauwelijks beseft toen ik merkte dat ik mijn handen weer had samengebald. Toen stond het vast. Zij zou het worden. Die flashbacks. Die verdomde flashbacks. Zag ik ze maar aankomen, dan kon ik tenminste maatregelen treffen. Misschien dat uitzonderlijke concentratie ze had kunnen stoppen. Elk artikel in de krant spellen, keiharde muziek op mijn hoofdtelefoon, de stoeptegels nauwgezet tellen. Maar altijd waren die flashbacks me te snel af. Midden in een winkelstraat, onder het eten, tijdens het poetsen van mijn tanden. Ineens in een andere realiteit, verstijfd, weerloos. Ik kon niets anders dan ze ondergaan, ze over me laten komen. Nooit wist ik hoe lang ze zouden duren, nooit wist ik hoe lang ze geduurd hadden. Hoeveel mensen waren er langsgelopen, en hoe lang hadden ze naar me gekeken? Hoeveel water was er weggelopen? Hoe lang duurde het voordat tandpasta begon te branden in mijn mond, hoe snel koelde mijn eten af? Ik vervloekte mijn gebrek aan beheersing. Kon ik maar een keer die flashbacks te snel af zijn. Ik zou ze voor altijd de baas zijn. Maar het lukte me nooit. Ik ergerde me aan de mannen die haar nakeken. Kijk voor je, klootzak, en ga naar huis. Ga naar je doorsnee-gezinnetje en kijk met glazige ogen naar je spelletjesprogramma's, terwijl je je eten oplepelt. Je weet niet eens wat je eet. Als het maar warm, veel en vet is. Neuk je vrouw terwijl je in gedachten bij die meid van daarnet, op straat, bent. Houd je vast aan de illusie dat ze even naar je lachte, dat je maar even hoefde te kikken om haar op de plaats te krijgen waar je vrouw nu ligt, lijdzaam en verveeld. Fantaseer wat je wil, maar sodemieter op. Ze is van mij. Ze zal van mij zijn. Ze zal voor altijd van mij zijn! Verdomme ... bijna had ik mezelf hoorbaar gemaakt. Ik was haar tot op enkele meters genaderd. Bij het licht van een lantaarn stond ze stil. Ze hield haar handtas in het licht en woelde er enige seconden in. Net toen ik een portiek in wilde sluipen rechtte ze haar rug en liep ze door, met rinkelende sleutels. Huilend hield ik mezelf schuil onder de dekens. Waarom kon ik mijn mond niet houden? Waarom moest ik, iedere keer weer, de laatste tergende woorden spreken? Al zo vaak was ik daarna, met een mengeling van triomf en blinde paniek, de trap opgestoven en mijn slaapkamer ingevlucht. Ik wist wat er komen ging, en de paniek kreeg de overhand. Daarna kwamen de tranen. Ik wist dat mijn moeder hiervan genoot. Langzaam, maar duidelijk hoorbaar, nam ze de trap naar boven. Zware, doelbewuste stappen. Ze zou, boven aangekomen, enige tijd stilstaan om mijn gesmoorde gehuil op te vangen. Soms probeerde mijn vader, een zwakke man die geen grip op zijn leven kon krijgen en alles wat op zijn weg kwam willoos accepteerde, haar ervan te weerhouden mij naar boven te volgen. Tussen mijn paniek en tranen door vond ik nog de gelegenheid me kwaad te maken om zijn smekende stem, die bij voorbaat rekening hield met een botte afwijzing. "Laat dat kind nou eens, ... kom nou naar beneden". Misselijke, laffe zak. Je verdient het niet voor mij op te komen. Liever lijd ik onder terreur dan dat ik jou in mijn kamp vindt. Toch was het moment dat hij zweeg, en dat mijn moeder de eerste stap in de richting van mijn slaapkamerdeur deed, het beklemmendst. Onafwendbaar naderde mijn beul. Ik wist dat ze lachte. Snel liep ik achterom. Op het moment dat ze haar voordeur opende was ik al in de tuin. Gehurkt wachtte ik onder het raam. Een streep licht viel via de openstaande deur de huiskamer binnen. Een kleine hond glipte door de deuropening het halletje in. Ik kon nog net zijn hevig kwispelende staart zien. Uit zijn houding kon ik afleiden dat hij tegen haar opsprong. Even later rende hij de huiskamer weer in. Ze zou wel snel volgen. Ik dook weg en wachtte af tot het licht in de huiskamer ontstoken zou worden. De woningen achter mij waren onverlicht, maar toch waakte ik ervoor af te steken tegen het licht dat nu inderdaad in de tuin viel. Ik richtte me eigszins op om door een hoekje van het raam te kijken. Ze had haar jas uitgetrokken en liep nu gapend de open keuken in. De hond dribbelde achter haar aan. Een minuut later liep ze weer de keuken uit, nu zonder hond. Die heeft eten, constateerde ik. Verbaasd staarde ik in de badkamerspiegel, in een van pijn vertrokken gezicht. In een fractie van een seconde voelde ik de pijn waar mijn spiegelbeeld onder leed. Ik trok mijn handen weg uit de kokend hete waterstraal en viel op mijn knieen. Met mijn handen tussen mijn dijen geklemd vloekte ik enige malen, tot de helse pijn mij de adem afsneed. Na een paar minuten mijn tanden op elkaar geklemd te hebben nam het bonzen in mijn handen af, om plaats te maken voor een dof, gloeiend gevoel. Ik durfde er bijna niet naar te kijken. Ik verwachtte dat mijn handen eruit zouden zien als een uit zijn vel gesprongen rookworst. Tot mijn verbazing waren ze alleen rood en opvallend stijf. Met moeite wist ik ze net genoeg te krommen om de warmwaterkraan te sluiten. Op het moment dat ik me zwaar in een stoel liet vallen drong het tot me door dat ik weer ten prooi was gevallen aan een flashback. Met mijn voorhoofd op mijn knieen en mijn handen om mijn schenen probeerde ik na te denken. Ze stond even stil, morrelde aan haar gesp, en keek plotseling in de richting van de tuin. Ik trok mijn hoofd opzij en draaide me een kwartslag weg van het raam. Ik ademde rustig in en uit om mijn bonzende hart in bedwang te krijgen. Mijn kuiten deden zeer van de gehurkte houding. Ik hoorde twee maal een langgerekt, schurend geluid. Het was donker in de tuin. Ze had de gordijnen gesloten. Beschermd door de bijna volledige duisternis stond ik op. Even bleef ik staan om het verkrampte gevoel uit mijn benen te krijgen. Daarna stapte ik naar het midden van het raam. Een uitstekend blad van een kamerplant zorgde ervoor dat de gordijnen niet helemaal gesloten waren. Ze liep in een slipje door de woonkamer. Haar naakte benen lieten mij koud. Snel keek ik de verlichte woonkamer rond. Geen teken van leven. Geen speelgoed op de grond. Kleine televisie, kleine stereo-installatie. Geen kind, geen man, alleen een hond. Ze was van mij. Mijn moeder stond op de drempel van mijn slaapkamer en wachtte net zo lang tot ik mijn hoofd onder de dekens vandaan zou steken. Ze moest mijn angstige gezicht zien, en ik moest zien hoe ze haar slof van haar voet trok. En hoe bang ik ook was, de grootste wens bleef om het allemaal achter de rug te hebben. Onder de dekens blijven zou alleen uitstel van executie betekenen, een verlenging van mijn lijden en van haar plezier. Dus keek ik. Dus zette ik de voorstelling in gang. Het waren niet eens zozeer de slagen die mij deerden, al had mijn moeder een uitgekiend vermogen mij op die plekken te raken waar mijn afwerende handen ruimte lieten. Ze sloeg met de platte zool van haar slof, hetgeen een akelig geluid op mijn huid veroorzaakte. Niets was echter akeliger dan de bijna bezwerende woorden die haar slagen vergezelden. "Zo, dus jij had nog wat te zeggen?" "Had nou maar je mond gehouden, he?" "Heb je nu nog behoefte aan commentaar?". Bij elke zin klonk ze verbetener en sloeg ze harder, tot ze buiten zinnen raakte. Dan sloeg ze alleen nog maar hard op mijn handen, en soms op mijn hoofd, hevig hijgend en onverstaanbaar sissend. Slechts een keer kwam mijn vader op mijn gejammer af. Halverwege de trap riep hij angstig mijn moeders naam. Zij stopte even en riep op zo'n haatdragende manier dat hij op moest rotten dat hij niets meer kon zeggen dan een lafhartig "Kom je zo beneden?". Het maakte haar nog woester. Ik betaalde voor de lafheid van mijn vader. Ik kon nog net met de laatste tram thuis komen. Zonder het licht te ontsteken opende ik de gangkast. Op de tast vond ik mijn leren handschoenen. Ik stak ze in mijn jaszak en liep naar de slaapkamer. Gezeten op de rand van het bed besloot ik haar de volgende dag te vermoorden. De anderen had ik dagen, soms weken gevolgd en geobserveerd. Deze keer was het anders, al wist ik niet waarom. Snel kleedde ik me uit en schoof ik onder de lakens. Hoewel ik er geen behoefte aan had gingen mijn gedachten onwillekeurig terug naar eerder die avond. Onrustig draaide ik me op mijn rug. Ik wilde niet denken, maar slapen. De vorige keren had ik, de avond voor de moord, prima geslapen. Er was geen reden waarom het nu anders moest zijn. Maar de beelden bleven opdoemen, haar gezicht toen ze in de tram stapte, haar profiel in het licht van de lantaarn. De ergernis over de omkijkende mannen sloop weer binnen. In gedachten volgde ik er een naar huis. Ik zag hoe hij, geil door de ontmoeting met de onbekende voorbijgangster, tegen zijn vrouw aankroop. Hoezeer ik ook tegen de gedachte vocht, toch zag ik weer die naakte benen die mij eerder koud hadden gelaten. Ik leunde uit het bed en trok de leren handschoenen uit mijn jas, die op de stoel naast het bed lag. Toen ik me bevredigd had trok ik ze uit en gooide ik ze in de hoek van mijn kamer. Ik kon slapen. "Je bent gewoon een laffe hond," riep ze, en ik wist dat ze gelijk had. Ineengedoken zat ik op de bank, terwijl ze opgewonden voor mij langs paradeerde. Net toen ik op wilde kijken sloeg ze me vol in het gezicht. "Laf! Impotent! Een moederskindje! Waarom heb ik me in godsnaam met je ingelaten?" Ik deed geen poging de vraag te beantwoorden. Met mijn ellebogen op mijn knieen en mijn handen over mijn hoofd gevouwen keek ik opzij, naar de buitendeur. Elke vluchtweg was me op dit moment welkom. Desnoods zou ik de hele nacht buiten doorbrengen, in mijn overhemd. Weg moest ik hier. Ze hield plotseling op met ijsberen. Aan haar adem hoorde ik dat ze mijn blik opgevangen had. Een slagregen daalde neer op mijn hoofd. "Lafaard!" gilde ze bij elke slag. Toen ik probeerde haar handen beet te pakken trapte ze me tegen mijn kaak. Ik gleed zijwaarts op de bank en glipte weg. Vlak bij de buitendeur greep ze me bij mijn haar. Ze dwong me naar de grond. Kreunend van de pijn graaide ik naar de klink van de deur, terwijl mijn vrije hand in de deurmat klauwde. Als ik die deur maar open kon krijgen zou ik me wel naar buiten kunnen worstelen, al zou ik er een handvol haren door verliezen. Mijn krachten vloeiden weg toen ik me realiseerde dat de deur op het nachtslot zat. Ik rolde me op mijn zij en begon te snikken. Ze liet mijn haar los en richtte zich op. "En waar wou je nou heen, he?", klonk het boven me. Ze deed een stap achteruit en bleef nog een tijdje op me neer kijken. "Ga naar bed, slappe zak," sprak ze toonloos. Ineengedoken haastte ik me langs haar heen naar de slaapkamer. Zonder iets te zeggen. "Ha!" klonk het achter me. De pijn in mijn handen nam af. Ik was doodmoe na een nacht vol kwade dromen. Maar ik moest mezelf zo snel mogelijk onder controle krijgen. Vandaag was een belangrijke dag. Vandaag zou ze van mij zijn. Ik stond op en liep naar de slaapkamer. Ik wapperde enige malen met mijn handen en spreidde af en toe mijn vingers. Ik moest proberen de stijfheid eruit te krijgen. Toen ik me aangekleed had pakte ik mijn jas, op zoek naar mijn handschoenen. Ik kreeg een ongemakkelijk gevoel toen ik ze niet aantrof. Snel liep ik naar de gangkast, hoewel ik eigenlijk al wist dat ze daar niet zouden liggen. Ik haatte dat. Op de dagen dat ik moordde was ik de rust zelve, had ik alles onder controle. Vandaag klopte er iets niet. Terug in de slaapkamer viel mijn oog op de handschoenen, die in de hoek op de grond lagen. Ik dacht terug aan de avond ervoor, voelde schaamte opkomen, en besloot ze af te spoelen. Ik legde ze voor de kachel te drogen. De rest van de dag probeerde ik zo weinig mogelijk na te denken, al was het gestaag groeiende gevoel van nervositeit moeilijk te negeren. Verdomme, maak jezelf niet druk, hield ik mezelf voor. Rust. Overleg. Net als de vorige keren. Tergend langzaam kondigde de avond zich aan. Toen ik mijn jas en handschoenen aantrok werd ik wat kalmer. Na enige malen diep te hebben ademgehaald stapte ik de kille avond in. Elke centimeter van mijn lichaam deed pijn. Hijgend van de inspanning deed mijn moeder een pas achteruit. Ze had gekregen wat ze wilde. Ik was opgehouden met huilen. Er was geen plaats meer voor tranen, gefixeerd als ik was op het ontlopen van de slagen. De dekens, van het bed gerukt door mijn moeder, lagen op de grond. Naakt en verdoofd lag ik op bed, rillend van kou en schrik. Nu was het moment van de woorden aangebroken. Bij het minste geluid zou ze me weer een klap geven, maar ze deed haar best me een reactie te ontlokken. Ze sprak me toe als was ik een hond die met platte oren opgerold tegen de deur ligt, knipperend met de ogen bij elk gesnauwd woord. Een keer zacht janken was genoeg. Laf was ik. Wel een grote bek, maar als het erop aan kwam lag ik te huilen. Uitdagen wilde ik wel, maar de consequenties dragen, ho maar. Ik zou net zo worden als mijn vader. Met een hard woord kon ik teruggestuurd worden naar mijn mand. Het ene na het andere verwijt beet ze me toe. Soms spuugde ze. Alles had ik veroorzaakt. Ik had haar huwelijk kapot gemaakt op de dag dat ik geboren werd. Ze schaamde zich voor me. Ik had haar haar geluk ontnomen. Na een paar minuten was ze uitgeraasd. "Ruim je kamer op," zei ze ten slotte. Daarna trok ze de deur achter zich dicht. Aan een zwak licht, dat door een raampje in haar voordeur scheen, zag ik dat ze thuis moest zijn. In een klein park aan de overkant wachtte ik het moment af dat ze haar huis zou verlaten om haar hond uit te laten. Het hete water van die morgen en mijn nog niet helemaal gedroogde handschoenen zorgden ervoor dat ik het intens koud had. Alles was anders dan de vorige keren, toen ik genoot van de rust waarin ik mijn slachtoffers observeerde en volgde. Al duurde het uren, het deerde me niet. Nu kon ik niet wachten tot het voorbij was. Er vanaf zien behoorde niet tot de mogelijkheden. Ik had besloten dat ze van mij was, en ze was pas helemaal van mij als ze dood was, als ik de laatste in haar leven was geweest. Net toen ik een stukje door het park wilde gaan wandelen om wat warmer te worden kwam ze naar buiten met de hond. Gelukkig had ze hem aan de riem. Het zou me slecht uitkomen wanneer de hond in paniek de hele buurt zou alarmeren. Op enige afstand volgde ik haar. Ik had het park al kort verkend en enige plekken gevonden waarop de huizen geen uitzicht hadden. Binnensmonds verwenste ik de hond, die al na enkele meters een plas deed. Als ze nou maar niet meteen op haar schreden zou terugkeren. Ze sprak de hond echter prijzend toe en liep verder het park in. Het pad dat ze volgde zou, na een korte slinger, uitkomen achter een struikgewas dat ik als een mogelijke plek had aangemerkt. Snel stak ik een grasveld over en verschanste ik me achter de struiken. De hond had me als eerste in de gaten, maar blafte niet. Toen ik uit de struiken sprong en mijn hand op de mond van zijn baas legde stoof hij in paniek opzij, zonder geluid te maken. Geholpen door de zijwaartse ruk werkte ik de vrouw naar de grond. Ze hield van schrik de halsband stevig vast, terwijl de hond angstig in het gras lag. "Niet gillen," siste ik haar toe. Ik nam even mijn hand van haar mond. Tot mijn verbazing gilde ze inderdaad niet, maar begon ze verbeten tegen me te schelden. "Klootzak! Blijf met je poten van me af! Vieze vuile verkrachter!" Toen ik mijn hand om haar keel legde schopte ze met haar knie hard tegen de rug. "Weg! Weg! Ga weg! Gore impotente teringlijer!". Het bloed steeg naar mijn hoofd. Het leek of ik door de plotseling opkomende woede het bewustzijn ging verliezen. Zachtjes wreef ik over mijn hoofd, op de plek waar ze kort daarvoor aan mijn haar had getrokken. Ik voelde me ellendig en gevangen. Ik hoopte dat ze niet naar bed zou komen, maar op de bank zou slapen. Misschien kon ik dan 's nachts de sleutels pakken en weg ... De adem stokte me in de keel. Ze kwam eraan. Snel draaide ik me op mijn zij en hield ik me slapend. Aan de manier waarop ze zich uitkleedde kon ik horen dat ze nog steeds vol zat met ingehouden woede. Ik voelde hoe ze, achter mijn rug, onder de lakens schoof. Enige minuten lag ze, diep ademend, naast me. Ik hoopte dat mijn doodse stilte ertoe zou leiden dat ze snel in slaap zou vallen. Geen woorden, alsjeblieft geen woorden. Plotseling draaide ze zich naar me toe en trok me aan mijn schouder op mijn rug. Voordat ik wist wat er gebeurde zat ze bovenop me. Naakt. Ze trok mijn onderbroek naar beneden en begon me hardhandig af te trekken. Ik wist niet wat ik moest doen en onderging het met de armen gekruist over mijn borst, af en toe de adem inhoudend van de pijn. "Dacht ik het niet," beet ze me toe, "je laat me alweer in de steek. Slappe impotente lul!". Ze drukte haar onderlijf hard tegen het mijne en wreef enige tijd woest heen en weer. Aan haar onregelmatige adem en haar schokkende bewegingen merkte ik dat ze klaarkwam. Ze bleef op me zitten tot ze weer rustig ademde. Toen ze van me afrolde zei ze: "Zelfs met een stuk boomschors had ik er nog meer van genoten. Voor mij ben je een dood stuk vlees. Koud en dood." Hoe lang had ik haar keel dichtgeknepen? Roerloos lag ze onder me. De hond keek nog steeds met grote, angstige ogen toe. Ik wrikte de vuist die de halsband omklemde open en bond de hond vast aan een dikke struik. Ik stond even op om om me heen te kijken, maar zag niemand. Ik pakte haar bij de armen en sleepte haar over het grasveld, buiten bereik van de lantaarns die het park schaars verlichtten. Aan de rand van een vijver sleepte ik haar diep de struiken in en liet haar daar achter. Ik liep terug naar de hond, maakte hem los en nam hem mee. Omzichtig manoeuvrerend door de donkere stukken verliet ik het park. Na een omzwerving van enkele minuten liet ik de hond gaan. Hij liep geluidloos een straat in, zonder om te kijken. Ik voelde me plotseling misselijk worden. Op weg naar huis haalde ik enige malen diep adem, maar al gauw voelde ik dat er geen houden aan was. Zo stil mogelijk braakte ik tussen een paar geparkeerde auto's. Trillend en onevenwichtig zette ik koers naar huis, waar ik zonder plichtplegingen het bed opzocht. Ik heb nu al in weken niet gemoord. Nooit eerder ben ik zo vaak badend in het zweet wakker geworden. Soms zit ik de halve nacht wezenloos voor me uit te kijken. Elke keer als ik een hond hoor blaffen voel ik me naar en moet ik de misselijkheid onderdrukken. Ik voel me leeg. Ik heb geen flashbacks meer. De dagen rijgen zich anoniem aaneen. Mamma, ik mis je. © Ben C. O. Grimm |