
Bromvliegen
Author: Ben C. O. Grimm Title: Bromvliegen Published: 10 June 1995 Newsgroups: xs4all.general,nlnet.misc,nlnet.fiets
| Bromvliegen
Het borrelt en broeit in mij, maar dichter onder de oppervlakte dan ooit. Het knaagt aan mij en ik knaag aan mijn nagels. Ik sla met de vuist op tafel en uit een schreeuw die in het lawaai tenonder gaat. Ik schud mijn moede hoofd en bedek mijn oren met mijn handen, verdiept in een hopeloos mantra van klacht en zucht. De kreten die ik ondertussen mijn kamer inslinger klinken daardoor gemoffeld en vervormd, maar dat is nog altijd beter te verdragen dan dat geluid dat alles overstemt. Het is weer zo ver. Weer zo'n plaag, zo'n horde, zo'n kudde die door mijn straat trekt. Hun koppen zijn bot, hun uiterlijk riekt naar generaties degeneratief gefriemel aan leden van de eigen soort, de genen zijn misvormd en lekken foutieve informatie, de dubbele helixen zijn hopeloos verstrikt in rondzingende mutatiecantates. Het gewapper met de vliegenmepper is tevergeefs, het dreigend naderen met een opgerold tijdschrift is een leeg gebaar. Spuitbussen met haarlak worden niet als dreigend ervaren. Velen in de rondzoemende massa zijn er maar al te zeer mee vertrouwd en beschouwen het goedje ondertussen als een basisvoorwaarde voor een gelukkig parasiterend bestaan. Het uiten van verwensingen past te goed in hun dagelijks bestaan om als afwijkend of waarschuwend te worden ervaren. Is er nu werkelijk geen oplossing voor dit dagelijks orgasme van geluidsgeweld en visuele terreur? Hoor! Daar nadert weer een knetterende wolk snor-, scooter-, brom- en hulpmotorvliegen ... Op weg naar de "koffieshop" in de straat, alwaar elk tussenuurtje wordt doorgebracht. De gezichten zijn lijkwit, de ogen dichtgeknepen tegen het licht. De drang er te komen is zo groot dat zelfs de laatste honderd meter nog even vol gas wordt gegeven om er vooral maar nog eerder te zijn. De laatste meter knijpt een ieder vol in de remmen, om vervolgens met veel scheurend geweld het apparaat te parkeren. Dit alles werkt in het geheel niet belemmerend op de pogingen tot conversatie. Luidkeels wordt het plaatselijk dialect op de draaggolf van motorgeweld gezet. Diegenen die nog in de leer zijn en een helm dragen schudden na het afzetten ervan de vette haren uit. Sommigen vergeten in de opwinding hun vehikel uit te zetten en moeten na het betreden van het donkere hol weer naar buiten. Aldaar wordt nog even drie maal het gas vol open gedraaid. Het gelaat vertoont een verwrongen grijns. Ik geef gas, dus ik besta! Na aankoop van de levensbehoeften vertrekt de meute weer. Niemand neemt de moeite alvast wat snelheid te maken voordat de motor wordt aangezet. Door in stilstand vol gas te geven laat men het aan de brommer over het volledige dode gewicht in beweging te krijgen. Het resultaat is een oorverdovende klaagzang van overbelaste cilinders en uitlaatpijpen. Pas na tweehonderd meter is de meute op gang en kan er gas teruggenomen worden. Maar dan is men mijn woning allang weer voorbij. Iedere week knettert er een wel heel irritant specimen door mijn straat. Het is een dame die huis-aan-huis folders bezorgt. Op een brommer, wel te verstaan. Tussen iedere brievenbus wordt even een dot gas gegeven om de luttele meters te overbruggen. Het stationair draaien tijdens het daadwerkelijke inschuifproces is niet als rustgevend te betitelen. Het pokt en ploft en knet en raast. In de hersenpan van de berijdster heerst echter een serene rust, niet gestoord door activiteit van neuronen en synapsen. Door een merkwaardig samenspel van rauw instinct en misvormde logica heeft bij de bezorgster het lumineuze idee postgevat dat zigzaggend bezorgen een efficient proces is. En dus zwalkt zij door de straat, van de oneven naar de even huisnummers en weer terug. Het is een vertrouwd geluid geworden: het geraas van de motor, het geschuif van afremmende zolen op de straatstenen, gevolgd door stationair geplof en geknetter, de metalen klap van de brievenbus en huuup, naar de overzijde. Toen ik nog in mijn eigen stad werkte werd ik iedere ochtend en middag gepasseerd door een vrouw van midelbare leeftijd. U weet wel, oud genoeg voor een waterig bejaardenpermament, doch jeugdig genoeg voor nauwspannend hel-oranje. Terwijl ik mij mechanisch voortbewoog op mijn trouwe damesfiets met soepel gesmeerde ketting en feilloos klikkende versnellingen kon ik haar al van verre horen naderen. De Vrouw met de Spartamet. In de twee jaar dat ik de luttele kilometers van en naar mijn werk met malende benen overbrugde heb ik haar nooit kunnen betrappen op enige activiteit van en met haar eigen onderdanen. Zelfs op die weinige dagen van windstille en broeierige hoogzomer snelde zij mij altijd, trots, met gerechte rug en blik op oneindig, voorbij. Op een fiets, maar nooit fietsend. Vaak samen met mij de lange steile helling van de brug afzoevend, maar nooit zette zij voor maar een moment de motor af. Nooit trapte zij in zalige stilte en met de wind in de rug een paar honderd meter op eigen kracht. Wat heb ik haar gehaat ... Er is nog een ander soort bromvlieg in mijn straat. Het betreft de automobilist die eeuwig twijfeltn tussen veel toeren maken in de tweede versneling en weinig toeren in de derde. Nu is mijn straat van een onhandige lengte. Net als je wil overschakelen naar de derde versnelling is de scherpe hoek al in zicht. Sommigen verkiezen de rust en glijden zachtjes voorbij, wellicht iets onder het vereiste toerental, maar in ieder geval met een aangenaam donker geluid, waarbij het geluid van de banden een mooi begeleidend akkoord levert. Maar die anderen ... De cilinders krijsen in doodsnood, het raspt en knaagt. Na de hoek rest er nog een straat van niet-optimale lengte. Dus hoor ik het ketelorkest nog langdurig zijn weg zoeken in mijn buurt, waarbij het geluid zich altijd weer aan mijn gehoor weet op te dringen door een sadistisch samenspel van stratenpatronen en weerkaatsende gevels. Mijn zelfbeheersing heeft onder dit al flink te lijden. Ik heb al meerdere malen, trilend van ingehouden woede, een leeg bierflesje ter hand genomen om mij achter een verduisterd venster te posteren, klaar voor de aanval. De beoogde prooi maakt het mij immer gemakkelijk. Wanneer ik de eerste tekenen van hun komst ontwaar (en mijn oren worden steeds gevoeliger) heb ik nog een halve minuut om het licht te doven, het venster te openen en het flesje ter hand te nemen. Iedere keer weer denk ik: "Nu doe ik het, nu pik ik het niet meer". Maar ik doe het niet. Tandenknarsend en kokend van woede en frustratie laat ik de plaag aan mij voorbijtrekken en sluit ik na een reeks gefluisterde verwensingen het venster. Starend naar het intacte flesje denk ik nog even: "Had ik maar ... Kon ik maar ...". Maar ik heb niet, ik kan niet. © Ben C. O. Grimm |