Ben C. O. Grimm

A Pokkelips Nauw


Author:		Ben C. O. Grimm
Title: 		A Pokkelips Nauw
Published: 	12 June 1996
Newsgroups:	nl.misc

A Pokkelips Nauw

Toen ik haar hand greep stribbelde ze tegen, een moment slechts. Ik voerde haar dwars door de opdringende menigte mee naar buiten. Soms werden we staande gehouden door een beschonken feestganger die een ontvoering vermoedde. Uitnodigingen om buiten op de vuist te gaan wimpelde ik af. Soms was een kordate duw nodig, bij anderen hielp een strakke blik. Toen de dreiging niet wilde wijken werd ik bijgestaan door een verzoenend gebaar van haar, nog steeds achter mij, aan mijn hand.

Een paar minuten eerder had ik haar, fluisterend eerst, maar later schreeuwend om de muziek te overstemmen, gezegd dat ik haar iets moest vertellen. Haar pupillen verwijdden zich, haar lippen verstrakten. Een klassieke angstreflex. Als het stil was geweest had ik de ijsblokjes in haar glas Bacardi kunnen horen rinkelen. Ze bemerkte mijn blik en zette het glas haastig op de bar. Haar lange sluike haar schoof een moment voor haar gezicht. Het kwam haar ongetwijfeld goed uit, die paar seconden om haar evenwicht onbespied te hervinden.

Toen we bijna bij de uitgang waren liet ik haar hand even los om wat kleingeld voor de portier te pakken. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat ze een pas achteruit deed. Ik draaide me snel om en zei haar dat het geen zin had weg te lopen. Vertellen zou ik het toch, nu of later. Ze veinsde enige verontwaardiging en wees naar de deur van de toiletten. Om het haar niet te moeilijk te maken knikte ik, waarna ik een wachtende houding aannam. Zodra ze zag dat er geen ontsnappen mogelijk was liep ze langzaam weg, terwijl ze demonstratief een lippenstift uit haar handtas haalde. Ze was altijd al een volhouder.

Ik bracht de wachttijd door met een kort gesprek met Rosa, een vertrouwde vriendin. Hoewel wij, enige jaren geleden, een paar weken bronstig om elkaar heen hadden gedraaid, was het nooit echt iets geworden tussen ons. Ze bleek, zonder de onderhuidse spanning, een formidabele gesprekspartner, die vaak zonder inspanning de vinger kon leggen op wat mij bezighield. Ze zei dat ze mijn stille aftocht had gadegeslagen. "Ga je het haar vertellen?" vroeg ze? Ik knikte. Ze kneep me even in de arm. "Sterkte", zei ze, "er is inderdaad geen geschikt moment, dus waarom nu niet?" Uit haar blik over mijn schouder kon ik afleiden dat we niet langer alleen waren. Ik hoorde het vertrouwde getik van holle hakken.

Terwijl Rosa discreet uit het beeld verdween draaide ik me een kwartslag naar links. Ik stak zwijgend mijn hand uit. Ik voelde een koude hand in de mijne, onzeker, wantrouwig. De portiers begroetten ons met een getraind koele blik. Ze keken graag net over je hoofd heen als je het kleingeld in hun handpalm drukte. Een routineus "Bedankt. Prettige avond." deed ons uitgeleide.

Toen de gepantserde deur met een zachte plof achter ons was dichtgevallen stonden we een ogenblik stil. Mijn suizende oren benadrukten de plotselinge afwezigheid van doordringende muziek. Even overwoog ik me om te draaien en het haar meteen te vertellen, maar ik was bang voor haar gezicht. Ze had ongetwijfeld, bedreven als ze was in het toneelspelen, haar lippen extra zorgvuldig opgemaakt. Ik voelde dat ik niet opgewassen zou zijn tegen het felle rood in de genadeloze schijnwerpers die de voorgevel van het gebouw verlichtten.

Ik liet haar hand los en liep langzaam van haar weg. Het geluid van het knerpende grint van de oprit drong gemoffeld tot mijn trommelvliezen door. Na een paar stappen hoorde ik dat ze me begon te volgen, langzamer, bedachtzamer. Ik keek verlangend naar de duisternis achter het parkeerterrein, waar een klein plantsoen gelegenheid bood aan diegenen die zich binnen te veel bespied voelden. Ik versnelde mijn pas. Zij deed dat niet, hoewel ze me bleef volgen.

Het plantsoen was leeg. Het was te koud, zelfs voor hen die zich warmden aan het vuur der passie. Toen ik op het gras liep voelde ik mijn voeten snel afkoelen. De dauw nestelde zich op mijn schoenen. Ik rilde even. Het geknerp achter mij hield op. Ook zij liep nu op het gras. Zwijgend liepen wij achter elkaar voort. Een brede houten balk markeerde de rand van het grasveld. Ik stond aan de rand van de rivier. Soms weerspiegelde een golf het diffuse licht van de industrie aan de overzijde. Een groen en een rood lichtje gleden geluidloos voorbij, gedragen door een schip dat zich in de nachtelijke uren naar het achterland begaf.

Kleine wolkjes stoom over mijn linkerschouder verraadden haar aanwezigheid, vlak achter mij. Aan de frequentie ervan merkte ik dat ook zij het koud had. Even wenste ik dat ze mij zou duwen. Ik zou zonder geluid in de donkere golven verdwijnen. De ultieme ontsnapping. Ik schrok toen ze haar armen om mijn middel sloeg. Ze legde haar hoofd in mijn nek. Ik voelde haar borsten tegen mijn rug. Toen ik achterover leunde en mijn handen op haar heupen legde bemerkte ik het onregelmatige schokken, gevolgd door een onderdrukt snikken.

Ik draaide me langzaam om in haar omhelzing. Ze hield haar hoofd naar beneden. Haar voorhoofd paste precies in de holte tussen mijn kaak en mijn schouder. Haar haar voelde vochtig en kil aan. Ik legde mijn hand op haar kruin en duwde haar hoofd zachtjes naar achteren. Het was te donker om nog in de war te worden gebracht door haar rode lippen. Haar ogen verraadden de radeloze angst van een getergd dier dat niet meer aan zijn lot kon ontsnappen. Ze wilde weer naar beneden kijken, maar ik weelhield haar daarvan door mijn handen om haar wangen te leggen, de vingerpunten op haar slapen. Met de duim van mijn rechterhand veegde ik een traan weg.

We konden niet eeuwig zo blijven staan. Toen ze enige malen hoorbaar had geslikt en het rillen niet wilde stoppen drukte ik kort mijn voorhoofd tegen het hare. Of ik erin slaagde haar enigszins gerust te stellen weet ik niet, maar het gaf me voldoende tijd om datgene wat ik haar wilde, nee .. moest, vertellen in woorden te vatten. "We zijn al een hele tijd samen, he?" begon ik. Ze knikte woest, om ieder woord dat de uiteindelijke boodschap zou verzachten te begroeten. "Je weet dat ik niets liever zou willen dan voor altijd zo te blijven staan, met jou dichtbij me?". "Ja ..", fluisterde ze, en ze trok me tegen zich aan. "Je weet dat ik altijd eerlijk tegen je ben geweest .. dat ik niet anders kan .. en niet anders wil?". Het knikken was duidelijk minder heftig. Ze voelde dat het onvermijdelijke naderde, al wilde ze het nog zo hard van zich afduwen.

Ik twijfelde. Was dit echt nodig? Kon ik ermee leven het haar nooit te vertellen? Ze stond nu roerloos tegen me aan, in afwachting van de zweepslag die haar zou treffen. Het stormde in mijn hoofd. Ik voelde dat ik in paniek raakte en in hoog tempo de mogelijke vluchtwegen verkende. Ik schrok op door een pijnlijk gegrom uit haar keel, gevolgd door een harde klap van haar hoofd tegen mijn borst. "Verdomme!", snikte ze, "Zeg het nou! Je moet het zeggen! Ik kan hier niet tegen!".

Ik voelde dat ik ijzig kalm werd. De drempel was overschreden. Ik rechtte mijn rug en staarde een ogenblik in het sterrenloze niets. "Goed," zuchtte ik, "je hebt gelijk. Maar zeg me eerst dat je weet dat ik je liefheb en dat ik je geen pijn wil doen. Nooit." Ze perste met alle macht haar armen om mijn middel. Een gesmoord "Ja .." volgde. "Goed." zei ik nog eenmaal. En ik fluisterde, met een stem die ik amper meer als de mijne herkende:

"Ik wil Bolletje."

© Ben C. O. Grimm


Home.